Art. 14 Derde levensrichtlijn

Richtlijn 92/96/EEG (Derde levensrichtlijn)

1. De Lid-Staten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of middelijk een gekwalificeerde deelneming in een verzekeringsonderneming te verwerven, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van die deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen 20, 33 of 50 bereikt of overschrijdt of dat de verzekeringsonderneming zijn dochteronderneming wordt.

De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst beschikken over een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving, om zich tegen het voornemen te verzetten, indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de verzekeringsonderneming te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de in de eerste alinea bedoelde persoon. Indien er geen bezwaar is, kunnen de autoriteiten een maximumtermijn vaststellen voor de uitoefening van het bedoelde voornemen.

2. De Lid-Staten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft zijn rechtstreekse of middellijke gekwalificeerde deelneming in een verzekeringsonderneming af te stoten, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van de betrokken deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen onder 20, 33 of 50 daalt of de onderneming ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.

3. Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de verzekeringsondernemingen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst in kennis van de verwervingen of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal waardoor stijging boven of daling onder één van de drempels als bedoeld in de leden 1 en 2 optreedt.

Tevens stellen zij de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen.

4. De Lid-Staten bepalen dat, indien de door de in lid 1 bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de verzekeringsonderneming zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst de passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Deze maatregelen kunnen met name omvatten bindende aanwijzingen, sancties tegen bestuurders en schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die de in lid 1 bedoelde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven. Wanneer een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten, bepalen de Lid-Staten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

Artikel 15

1. De Lid-Staten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. Dit houdt in dat de vertrouwelijke gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, aan geen enkele persoon of autoriteit bekend mogen worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele verzekeringsondernemingen niet kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een verzekeringsonderneming failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke beslissing in liquidatie verkeert, mogen evenwel vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen om de onderneming te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

2. Lid 1 belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende Lid-Staten uitwisseling van gegevens plaatsvindt als bedoeld in de richtlijnen die van toepassing zijn op verzekeringsondernemingen. Deze gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

3. De Lid-Staten kunnen met de bevoegde autoriteiten van derde landen alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de medegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in dit artikel bedoelde.

4. De bevoegde autoriteiten die overeenkomstig de leden 1 of 2 vertrouwelijke gegevens ontvangen, mogen deze slechts gebruiken voor de uitoefening van hun taken:

- voor het onderzoek van de voorwaarden voor de toegang tot het verzekeringsbedrijf en voor het vergemakkelijken van de controle op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van het toezicht op de technische voorzieningen, de solvabiliteitsmarge, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle, of

- voor het opleggen van sancties, of

- in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteiten, of

- in rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 50 of bijzondere bepalingen van de richtlijnen betreffende verzekeringsondernemingen.

5. De leden 1 en 4 staan niet in de weg aan de uitwisseling van gegevens binnen een zelfde Lid-Staat, wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten zijn, of, tussen Lid-Staten, tussen de bevoegde autoriteiten en:

- de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op de kredietinstellingen en de andere financiële instellingen is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten,

- de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van verzekeringsondernemingen en andere soortgelijke procedures, en

- de met de wettelijke controle van de jaarrekening van verzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen belaste personen,

voor de vervulling van hun toezichthoudende taak, en vormen evenmin een belemmering voor de mededeling aan de instanties die belast zijn met de (gedwongen) liquidatie of het beheer van het garantiefonds, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak. De door deze autoriteiten, instanties en personen ontvangen gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

6. Voorts mogen de Lid-Staten, niettegenstaande de leden 1 en 4, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn ter zake van de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsondernemingen, alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het prudentieel toezicht nodig blijkt.

De Lid-Staten bepalen evenwel dat de gegevens die op grond van de leden 2 en 5 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van de in artikel 16 van Richtlijn 79/267/EEG bedoelde verificaties ter plaatse, in geen enkel geval op grond van dit lid mogen worden medegedeeld, tenzij met uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt of van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

Artikel 16

Artikel 13

van Richtlijn 79/267/EEG wordt vervangen door:

"Artikel 13

1. Onverminderd de leden 3 en 7 mag aan geen enkele onderneming tegelijkertijd op grond van deze richtlijn en op grond van Richtlijn 73/239/EEG vergunning worden verleend.

2. De Lid-Staten mogen evenwel voorschrijven dat:

- de ondernemingen waaraan op grond van deze richtlijn vergunning is verleend, tevens overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG een vergunning kunnen krijgen voor de risico's bedoeld in de punten 1 en 2 van de bijlage van die richtlijn;

- de ondernemingen waaraan op grond van artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG, uitsluitend voor de risico's bedoeld in de punten 1 en 2 van de bijlage van die richtlijn, vergunning is verleend, tevens een vergunning kunnen krijgen op grond van de onderhavige richtlijn.

3. Onder voorbehoud van lid 6 mogen de in lid 2 bedoelde ondernemingen en de ondernemingen die op het tijdstip van kennisgeving van deze richtlijn, de twee werkzaamheden die door de onderhavige richtlijn en door Richtlijn 73/239/EEG worden bestreken, gelijktijdig uitoefenen, zulks blijven doen mits zij overeenkomstig artikel 14, voor elk van die werkzaamheden een gescheiden beheer voeren.

4. De Lid-Staten mogen voorschrijven dat de in lid 2 bedoelde ondernemingen voor hun gehele bedrijf de boekhoudkundige regels in acht dienen te nemen die voor de op grond van deze richtlijn toegelaten ondernemingen gelden. Tevens mogen de Lid-Staten in afwachting van een latere cooerdinatie op dit gebied verlangen dat wat betreft de regels inzake liquidatie, ten aanzien van de werkzaamheden betreffende de risico's onder 1 en 2 van de bijlage van Richtlijn 73/239/EEG, die uitgeoefend worden door de in lid 2 vermelde ondernemingen, ook de regels gelden die van toepassing zijn op het levensverzekeringsbedrijf.

5. Wanneer een onderneming die de in de bijlage van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde werkzaamheden uitoefent, financiële, commerciële of administratieve banden heeft met een onderneming die de in deze richtlijn bedoelde werkzaamheden uitoefent, zien de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op wier grondgebied zich de hoofdkantoren van deze ondernemingen bevinden, erop toe dat de rekeningen van de betrokken ondernemingen niet worden vervalst ten gevolge van tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of door afspraken die de verdeling van de kosten en inkomsten kunnen beïnvloeden.

6. Elke Lid-Staat kan de ondernemingen waarvan het hoofdkantoor op zijn grondgebied is gevestigd, ertoe verplichten binnen de door hem bepaalde termijn een einde te maken aan het gelijktijdig uitoefenen van de werkzaamheden die zij bij de kennisgeving van deze richtlijn verrichtten.

7. De bepalingen van dit artikel worden aan de hand van een verslag van de Commissie aan de Raad, in het licht van de toekomstige harmonisatie van de liquidatievoorschriften, en in elk geval uiterlijk op 31 december 1999, opnieuw onderzocht.".

Vorige artikelen

Volgende artikelen