Art. 8 Richtlijn 92/81/EEG
1. Ongeacht de algemene bepalingen inzake vrijgesteld gebruik van accijnsprodukten van Richtlijn 92/12/EEG en onverminderd andere communautaire bepalingen, verlenen de Lid-Staten vrijstelling van de geharmoniseerde accijns voor de onderstaande produkten, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen:
a) minerale oliën die worden gebruikt voor andere doeleinden dan als motorbrandstof of als brandstof voor verwarming;
b) minerale oliën die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor andere luchtvaart dan particuliere plezierluchtvaart.
In deze richtlijn wordt onder "particuliere plezierluchtvaart" verstaan: het gebruik van een luchtvaartuig door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
De Lid-Staten kunnen deze vrijstelling beperken tot leveringen van reactiemotorbrandstof (GN-code 2710 00 51);
c) minerale oliën die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren (met inbegrip van visserij), en die niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen zijn bestemd.
In deze richtlijn wordt onder "particuliere pleziervaartuigen" verstaan, vaartuigen die worden gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
2. Onverminderd andere communautaire bepalingen mogen de Lid-Staten geheel of gedeeltelijk vrijstelling of verlaging verlenen van de accijns op minerale oliën die onder belastingcontrole worden gebruikt:
a) bij de produktie van elektriciteit en in warmte-krachtcentrales,
b) voor de binnenvaart, met uitzondering van de particuliere pleziervaart,
c) voor het personen- en goederenvervoer per spoor,
d) bij proefprojecten voor de technologische ontwikkeling van milieuvriendelijker produkten, met name met betrekking tot brandstoffen uit hernieuwbare bronnen,
e) bij de vervaardiging, de ontwikkeling, het testen en het onderhoud van luchtvaartuigen en schepen,
f) uitsluitend voor land- en tuinbouwwerkzaamheden, en in de bosbouw en de zoetwatervisteelt,
g) bij baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens.
3. De Lid-Staten mogen ook voor alle of bepaalde van de onderstaande industriële en commerciële toepassingen een verlaagd accijnstarief hanteren voor gasolie en/of vloeibaar petroleumgas en/of methaan en/of kerosine die onder belastingcontrole wordt gebruikt, mits het toegepaste tarief niet lager is dan het minimumtarief dat in Richtlijn 92/82/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën is bepaald:
a) voor stationaire motoren,
h) voor installaties en machines die gebruikt worden in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken,
c) voor voertuigen die door hun bestemming buiten de openbare weg worden gebruikt of waarvoor geen vergunning is verleend voor overwegend gebruik op de openbare weg.
4. De Raad kan op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen besluiten dat een Lid-Staat uit specifieke beleidsoverwegingen verdere vrijstellingen of verlagingen mag invoeren.
Een Lid-Staat die een dergelijke maatregel wenst in te voeren, dient de Commissie daarvan in kennis te stellen en deze tevens alle relevante of benodigde gegevens te verstrekken. De Commissie stelt de andere Lid-Staten binnen één maand in kennis van de voorgestelde maatregel.
De Raad wordt geacht met de voorgestelde vrijstelling of verlaging te hebben ingestemd, indien binnen een termijn van twee maanden na de in de tweede alinea bedoelde kennisgeving aan de andere Lid-Staten, de Commissie noch een van de Lid-Staten heeft verzocht de aangelegenheid aan de Raad voor te leggen.
5. Indien de Commissie van oordeel is dat de in lid 4 bedoelde vrijstellingen of verlagingen niet langer aanvaardbaar zijn, met name uit een oogpunt van eerlijke mededinging, distorsie van de werking van de interne markt of communautair milieubeleid, dient zij bij de Raad passende voorstellen in. De Raad spreekt zich met eenparigheid van stemmen over deze voorstellen uit.
6. In ieder geval en uiterlijk op 31 december 1996 onderwerpt de Raad de situatie met betrekking tot de in lid 4 bedoelde vrijstellingen en verlagingen aan een onderzoek op basis van een verslag van de Commissie. Hij besluit, op voorstel van de Commissie, en na raadpleging van het Europese Parlement, met eenparigheid van stemmen of deze vrijstellingen en verlagingen, geheel of gedeeltelijk moeten worden afgeschaft, gewijzigd of uitgebreid.
7. Uiterlijk op 31 december 1997 onderwerpt de Raad de in lid 1, onder b), en lid 2, onder b), bedoelde vrijstellingen aan een onderzoek op basis van een verslag van de Commissie, rekening houdend met de door deze vervoermiddelen teweeggebrachte externe kosten en met de gevolgen voor het milieu, en besluit hij op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen of deze vrijstellingen moeten worden afgeschaft of gewijzigd.
8. De Lid-Staten kunnen de in lid 4 bedoelde vrijstellingen of verlagingen van de accijns ten uitvoer leggen door middel van teruggaaf van betaalde accijns.
III. Controles