Art. 1
1. Deze richtlijn is van toepassing op alle motorvoertuigen op twee of op drie wielen, al dan niet met dubbellucht, die bestemd zijn om aan het wegverkeer deel te nemen, alsmede op de onderdelen en technische eenheden daarvan.
Deze richtlijn geldt niet voor:
- voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h,
- voertuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd,
- voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door lichamelijk gehandicapten,
- voertuigen die bestemd zijn voor deelneming aan wedstrijden,
- voertuigen die reeds in gebruik zijn vóór het tijdstip waarop deze richtlijn van toepassing wordt,
- trekkers en andere voertuigen die bestemd zijn voor de landbouw of voor andere doeleinden,
- voertuigen die voornamelijk ontworpen zijn voor "off road"- en vrijetijdsgebruik, met drie symmetrisch geplaatste wielen, te weten één aan de voorzijde en twee aan de achterzijde,
noch voor onderdelen of technische eenheden daarvan, voor zover deze niet bestemd zijn om op onder deze richtlijn vallende voertuigen te worden gemonteerd.
Zij is evenmin van toepassing op de goedkeuring van afzonderlijke voertuigen, doch de Lid-Staten die dergelijke goedkeuringen verlenen moeten wel elke krachtens deze richtlijn in plaats van krachtens de nationale voorschriften verleende goedkeuring van onderdelen en afzonderlijke technische eenheden aanvaarden.
2. De in lid 1 bedoelde voertuigen zijn onderverdeeld in:
- bromfietsen, dat wil zeggen twee- of driewielige voertuigen met een motor waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm³ bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding is, en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h;
- motorfietsen, dat wil zeggen tweewielige voertuigen, al dan niet met zijspanwagen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding is, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h;
- driewielers, dat wil zeggen voertuigen op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ bedraagt, indien het een motor met inwendige verbranding is, en/of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h.
3. Deze richtlijn is ook van toepassing op vierwielige motorvoertuigen of "vierwielers" met de volgende kenmerken:
a) lichte vierwielers met een lege massa van minder dan 350 kg, exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h en met een motor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm³ voor motoren met elektrische ontsteking (of met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW voor andere typen motoren); zij worden beschouwd als bromfietsen;
b) andere vierwielers dan de onder a) bedoelde, met een lege massa van ten hoogste 400 kg (550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer), exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, met een motor met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 15 kW; zij worden beschouwd als driewielers.
De richtlijn wordt evenwel eerst vanaf 1 juli 1994, en mits aan de voorwaarden van artikel 15, lid 3, is voldaan, op deze voertuigen van toepassing.