Art. 1 Derde richtlijn schadeverzekering
Richtlijn 92/49/EEG (Derde richtlijn schadeverzekering)
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) "verzekeringsonderneming": iedere onderneming waaraan overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG vergunning is verleend;
b) "bijkantoor": ieder agentschap of bijkantoor van een verzekeringsonderneming, met inachtneming van artikel 3 van Richtlijn 88/357/EEG;
c) "Lid-Staat van herkomst": de Lid-Staat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;
d) "Lid-Staat van het bijkantoor": de Lid-Staat waar het bijkantoor is gevestigd dat het risico dekt;
e) "Lid-Staat van dienstverrichting": de Lid-Staat waar overeenkomstig artikel 2, onder d), van Richtlijn 88/357/EEG het risico is gelegen, wanneer dit wordt gedekt door een verzekeringsonderneming die of een bijkantoor dat in een Lid-Staat is gevestigd;
f) "zeggenschap": de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG(9) , of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;
g) "gekwalificeerde deelneming": het in een onderneming, rechtstreeks of middellijk, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel elke andere mogelijkheid om invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de onderneming waarin men een deelneming heeft.
Voor de toepassing van deze definitie in de artikelen 8 en 15 van deze richtlijn en voor de andere in artikel 15 genoemde deelnemingspercentages, worden de in artikel 7 van Richtlijn 88/627/EEG(10) bedoelde stemrechten in aanmerking genomen;
h) "moederonderneming": een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;
i) "dochteronderneming": een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
j) "gereglementeerde markt": een financiële markt die door de Lid-Staat van herkomst van de onderneming als gereglementeerde markt wordt beschouwd in afwachting van de vaststelling van een definitie in het kader van een richtlijn inzake beleggingsdiensten, en die gekenmerkt wordt door:
- een regelmatige werking, en
- het feit dat in door de daartoe bevoegde autoriteiten vastgestelde of goedgekeurde bepalingen de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de markt zijn vastgelegd, alsmede, wanneer Richtlijn 79/279/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot cooerdinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs(11) van toepassing is, de in die richtlijn bepaalde toelatingsvoorwaarden, en voor zover die richtlijn niet van toepassing is, de voorwaarden waaraan deze financiële instrumenten moeten voldoen om daadwerkelijk op de markt te kunnen worden verhandeld.
Voor de toepassing van deze richtlijn kan een gereglementeerde markt in een Lid-Staat of in een derde land zijn gelegen. In dit laatste geval moet de markt door de Lid-Staat van herkomst van de onderneming erkend zijn en aan vergelijkbare voorwaarden voldoen. De financiële instrumenten die er worden verhandeld, moeten van een kwaliteit zijn die vergelijkbaar is met die van de instrumenten die op de gereglementeerde markt(en) van de betrokken Lid-Staat worden verhandeld;
k) "bevoegde autoriteiten": de nationale autoriteiten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toezicht uitoefenen op de verzekeringsondernemingen.