Art. 2 Verordening (EEG) nr. 1637/91

Verordening (EEG) nr. 1637/91

1. Op verzoek van de belanghebbende en onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, wordt door de Lid-Staten aan de producent, zoals gedefinieerd in artikel 12, onder c ), eerste alinea, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 of, in geval van toepassing van artikel 12, onder c ), tweede alinea, van die verordening, aan elke aangesloten producent, die zich ertoe verbindt de melkproduktie vóór een nog te bepalen datum volledig en definitief te beëindigen, een vergoeding toegekend die in vijf jaarlijkse bedragen is te betalen en wel in het laatste kwartaal van de kalenderjaren 1992, 1993, 1994, 1995 en 1996, onverminderd de moge

lijkheid voor de Lid-Staten om de vergoeding eerder en/of in één maal te betalen indien zij deze voorfinancieren .

Elke Lid -Staat kan op basis van een of meer van de volgende criteria :

- de noodzaak om structurele ontwikkelingen en aanpassingen te vergemakkelijken;

- eisen van regionale ontwikkeling ten einde met name woestijnvorming in bepaalde gebieden te voorkomen;

- de mogelijkheid onder de marktvoorwaarden van het betrokken gebied of de betrokken gebieden dat door een dergelijke regeling aanzienlijke referentiehoeveelheden vrijkomen;

- dwingende administratieve redenen,

besluiten de in de voorgaande alinea bedoelde regeling niet ten uitvoer te leggen in een of meer van zijn gebieden als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, eerste alinea, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 . In dat geval is lid 5 van het onderhavige artikel van toepassing .

2. a ) Voor toepassing van de regeling komen producenten in aanmerking aan wie op grond van artikel 5 quater van Verordening ( EEG ) nr . 804/68 een referentiehoeveelheid is toegewezen in het kader van de formules A of B en/of in het kader van de rechtstreekse verkoop, met uitsluiting van de producenten die gebruik hebben gemaakt van hoeveelheden op grond van artikel 3 quater van Verordening (EEG ) nr . 857/84 .

De Lid-Staten :

- kunnen evenwel besluiten de vergoeding niet toe te kennen aan producenten met minder dan zes melkkoeien of met een reële beschikbare individuele referentiehoeveelheid van minder dan 25 000 kg per jaar,

- mogen de noodzakelijke schikkingen treffen om te bewerkstelligen dat de in het kader van deze verordening tot stand gebrachte verlagingen van de hoeveelheden zoveel mogelijk harmonisch over de inzamelingsgebieden en -zones worden gespreid .

b )

De vergoeding wordt toegekend voor de referentiehoeveelheid die vóór de inwerkingtreding van deze verordening beschikbaar is, met uitzondering van :

- de hoeveelheden welke op grond van Verordening ( EEG) nr . 775/87 ( 7 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 3643/90 ( 8 ), zijn opgeschort;

- de hoeveelheden welke op grond van artikel 3, leden 1 en 2, de artikelen 3 bis en 3 ter, en artikel 4, lid 1, onder b ) en c ), van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 zijn ontvangen;

- de tijdens het achtste tijdvak overgedragen hoeveelheden .

c )

De vergoeding wordt verlaagd voor alle bedragen die uit hoofde van artikel 1 zijn betaald .

d )

Ingeval er een pachtovereenkomst is gesloten, dient de aanvraag voor de vergoeding door de pachter te worden ingediend .

De Lid-Staten bepalen de voorwaarden waaronder de pachter de aanvraag ter verkrijging van de vergoeding kan indienen en de voorwaarden waaronder de vergoeding wordt uitgekeerd .

3. Op voorwaarde dat de regeling inzake de extra heffing wordt verlengd, wordt de financiering door de Gemeenschap van de in lid 1 bedoelde vergoeding beperkt tot de in de bijlage vermelde bedragen .

Binnen die grenzen kunnen de Lid-Staten jaarlijks een vergoeding uitbetalen van ten hoogste 10 ecu per 100 kg .

De Lid-Staten kunnen :

a) een vergoeding betalen die lager is dan 10 ecu/100 kg per jaar en het saldo gebruiken om extra hoeveelheden vrij te maken;

b )

aan de financiering door de Gemeenschap bijdragen door de vergoeding te verhogen .

Binnen hun grondgebied kunnen de Lid-Staten deze verhoging aanpassen om rekening te houden met verschillende plaatselijke omstandigheden ten aanzien van :

- de ontwikkeling van de melkproduktie,

- het gemiddelde peil van de leveringen per producent,

- de noodzaak om de herstructurering van de melkproduktie niet te belemmeren,

- het bestaan van mogelijkheden om over te schakelen op andere produktieactiviteiten,

- het feit dat de melkproduktie plaatsvindt in een van de gebieden als bedoeld in artikel 3, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden ( 9 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 797/85 ( 10 ).

Ingeval een producent twee referentiehoeveelheden heeft, dat wil zeggen één voor leveranties en één voor de rechtstreekse verkoop, wordt de vergoeding voor de twee referentiehoeveelheden toegekend .

4. Op voorwaarde dat de regeling inzake de extra heffing verlengd wordt, worden de ingevolge dit artikel vrijgekomen referentiehoeveelheden bij de in artikel 5 of artikel 6, lid 3, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 bedoelde reserve gevoegd en vervolgens :

a )

toegekend aan de in artikel 1 van de onderhavige verordening bedoelde producenten;

b )

toegewezen aan de producenten bedoeld in artikel 3 bis van Verordening ( EEG ) nr . 857/84;

c )

wat het eventuele saldo betreft, toegewezen aan producenten die de Lid-Staat volgens objectieve criteria met instemming van de Commissie bij voorrang heeft aangewezen, met name aan kleine producenten en aan producenten in gebieden als omschreven in artikel 3, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 75/268/EEG .

5. Op voorwaarde dat de regeling inzake de extra heffing verlengd wordt, worden de in de bijlage vermelde bijdragen die niet opgebruikt worden in het kader van de in lid 1 bedoelde regeling, door de betrokken Lid-Staten aangewend om de in artikel 1 bedoelde producenten een vergoeding uit te betalen . Deze vergoeding, die niet meer kan bedragen dan

10 ecu/100 kg per jaar, wordt betaald voor het gedeelte waarmee de individuele referentiehoeveelheid beneden de referentiehoeveelheid voor het zevende tijdvak of, wat Portugal en het grondgebied van de voormalige DDR betreft, beneden de vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening toepasselijke referentiehoeveelheid, is gebleven . De vergoeding wordt uiterlijk uitbetaald in het laatste kwartaal van de kalenderjaren 1993, 1994, 1995 en 1996 .

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen