Art. 2 Richtlijn 91/498/EEG
1. De Lid-Staten kunnen tot en met 31 december 1995 inrichtingen die op de datum van kennisgeving van deze richtlijn geacht worden niet te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden van Richtlijn 64/433/EEG, toestaan af te wijken van sommige van de in de punten 1 tot en met 13 van bijlage I van Richtlijn 64/433/EEG vastgestelde eisen, voor zover het vlees dat uit deze inrichtingen afkomstig is, voorzien wordt van het nationale stempel.
2. Voor de in lid 1 bedoelde afwijkingen komen alleen de inrichtingen in aanmerking die vóór 1 april 1992 bij de bevoegde nationale autoriteit een afwijking hebben aangevraagd.
Deze aanvraag moet vergezeld gaan van een plan en een werkprogramma waarin de termijnen worden genoemd waarbinnen zij aan de in lid 1 bedoelde eisen kunnen voldoen.
Ingeval om financiële bijstand van de Gemeenschap wordt verzocht, kunnen alleen aanvragen worden aanvaard voor projecten die voldoen aan de eisen van Richtlijn 64/433/EEG.
De Lid-Staten leggen de Commissie vóór 1 juli 1992 de lijst voor van de inrichtingen waarvoor het toestaan van een afwijking wordt overwogen. Op deze lijst moeten per inrichting het type en de duur van de beoogde afwijkingen worden vermeld, alsmede de aard van de keuringen van het vlees uit deze inrichtingen en het personeel dat met deze keuringen belast is.
De nationale erkenning van inrichtingen die op de in de eerste alinea genoemde datum geen afwijking hebben aangevraagd, of waarvan de aanvraag door de betrokken Lid-Staat
afgewezen is, dient vóór 1 januari 1993 te worden ingetrokken.
Na ontvangst van de door een Lid-Staat ingediende lijst als bedoeld in de vierde alinea, beschikt de Commissie over een termijn van twee maanden om die lijst te onderzoeken en deze, eventueel na wijziging, voor te leggen aan het Permanent Veterinair Comité, dat een beslissing neemt volgens de procedure van artikel 6.
3. De lijst van inrichtingen waarvoor een afwijking geldt, wordt door de Commissie bekendgemaakt.