Art. 11 Richtlijn 91/477/EEG

Richtlijn 91/477/EEG

1. Onverminderd artikel 12 mogen vuurwapens slechts van een Lid-Staat naar een andere worden overgebracht, indien de in de volgende leden omschreven procedure wordt gevolgd. Deze bepalingen gelden ook voor overbrenging van een vuurwapen door middel van postorderverkoop.

2. Wat de overbrenging van vuurwapens naar een andere Lid-Staat betreft, doet de belanghebbende vóór iedere verzending de Lid-Staat waar deze wapens zich bevinden, mededeling van:

- naam en adres van de verkoper of de overdragende persoon en van de koper of verwervende persoon of, in voorkomend geval, van de eigenaar,

- het adres waarnaar deze wapens zullen worden verzonden of vervoerd,

- het aantal wapens dat van de zending of het vervoer deel uitmaakt,

- de identificatiegegevens betreffende elk wapen en bovendien de vermelding dat het wapen is gecontroleerd volgens de bepalingen van het Verdrag van 1 juli 1969 inzake wederzijdse erkenning van keurmerken van handvuurwapens,

- de wijze van overbrenging,

- de datum van vertrek en de vermoedelijke datum van aankomst.

Bij overbrenging tussen wapenhandelaars behoeven de gegevens bedoeld in de laatste twee streepjes niet te worden meegedeeld.

De Lid-Staat onderzoekt onder welke omstandigheden de overbrenging zal geschieden, met name met het oog op de veiligheid.

Indien de Lid-Staat deze overbrenging toestaat, verleent hij daarvoor een vergunning waarin alle in de eerste alinea genoemde gegevens zijn vermeld. Dit document dient de vuurwapens tot aan de bestemming te vergezellen en dient op elk verzoek van de autoriteiten van de Lid-Staten te worden overgelegd.

3. Behalve voor oorlogswapens kan iedere Lid-Staat voor de overbrenging van vuurwapens die overeenkomstig artikel 2, lid 2, niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, aan wapenhandelaars het recht toekennen om, zonder voorafgaande vergunning in de zin van lid 2, vuurwapens van zijn grondgebied naar een in een andere Lid-Staat gevestigde wapenhandelaar over te brengen. Hij geeft daartoe een machtiging af die hoogstens drie jaar geldig blijft en te allen tijde bij met redenen omkleed besluit kan worden geschorst of ingetrokken. De vuurwapens moeten tot de bestemming vergezeld blijven van een document waarin die machtiging wordt vermeld; dat document moet op verzoek van de autoriteiten van de Lid-Staten worden voorgelegd.

Uiterlijk tijdens de overbrenging delen de wapenhandelaars aan de autoriteiten van de Lid-Staat van waaruit de overbrenging zal geschieden, alle in de eerste alinea van lid 2 vermelde gegevens mede.

4. Iedere Lid-Staat verstrekt de andere Lid-Staten een lijst van vuurwapens waarvoor de vergunning om deze naar zijn grondgebied over te brengen, zonder zijn voorafgaande toestemming mag worden verleend.

Deze lijsten met vuurwapens worden medegedeeld aan de wapenhandelaars die in het kader van de procedure van lid 3 een machtiging hebben verkregen om vuurwapens zonder voorafgaande toestemming over te brengen.