Art. 3 Richtlijn 90/531/EEG
1. Een Lid-Staat kan de Commissie verzoeken erin te voorzien dat exploitatie van geografische gebieden ter wille
van de prospectie en de winning van aardolie, gas, steen-
kool of andere vaste brandstoffen niet beschouwd wordt als een relevante activiteit in de zin van artikel 2, lid 2, onder b), punt i), of dat de diensten niet geacht worden in aanmerking te komen voor bijzondere of uitsluitende rechten in de zin van artikel 2, lid 3, onder b), om een of meer van deze activiteiten te exploiteren indien rekening houdende met de relevante nationale bepalingen betreffende deze activiteiten, aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
a)wanneer er een machtiging wordt geëist voor de exploitatie van een dergelijk geografisch gebied, andere diensten ook vrij zijn een dergelijke machtiging aan te vragen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de aanbestedende diensten; en
b)de technische en financiële capaciteit die de diensten moeten bezitten om de bijzondere activiteiten uit te oefenen worden vastgesteld voordat de beoordeling plaatsvindt van de merites van de gegadigden die de machtiging trachten te verkrijgen; en
c)de machtiging tot uitoefening van deze activiteiten wordt verleend op basis van objectieve criteria inzake de middelen die voor de prospectie of winning worden overwogen; deze criteria moeten vóór de indiening van de machtigingsaanvragen worden vastgesteld en bekendgemaakt en zij moeten op niet-discriminerende wijze worden toegepast; en
d)alle voorwaarden en eisen inzake het uitoefenen of stopzetten van de activiteit, met inbegrip van de voorschriften betreffende de met het uitoefenen van de activiteit samenhangende verplichtingen, de vergoedingen en de deelneming in het kapitaal of de inkomsten van de diensten, worden vastgesteld en beschikbaar gesteld vóór de indiening van de machtigingsaanvragen en moeten op niet-discriminerende wijze worden toegepast; elke wijziging met betrekking tot deze voorwaarden en eisen moet voor alle betrokken diensten gelden of op niet-discriminerende wijze geschieden; de verplichtingen die met het uitoefenen van de activiteit samenhangen, behoeven evenwel pas op het tijdstip voorafgaande aan de toekenning van de machtiging te worden vastgesteld; en
e)de aanbestedende diensten zijn noch bij wet, noch op grond van een reglement of administratief voorschrift, noch door een overeenkomst of onderlinge afspraak verplicht informatie te verstrekken over de overwogen of bestaande bronnen voor hun aankopen, tenzij de nationale autoriteiten, uitsluitend met het oog op de in artikel 36 van het Verdrag genoemde doelstellingen, daarom verzoeken.
HOL16880 - s. 20-31, arsearses. 7-9, arseThomas
2. De Lid-Staten die de bepalingen van lid 1 toepassen, dragen er door middel van de machtigingsvoorwaarden of andere passende maatregelen zorg voor dat elke dienst:
a)de beginselen van non-discriminatie en oproep tot mededinging in acht neemt bij de gunning van opdrachten voor leveringen en uitvoering van werken, inzonderheid ten aanzien van de informatie die hij de ondernemingen verstrekt met betrekking tot zijn voornemens inzake het plaatsen van opdrachten;
b)aan de Commissie, onder de voorwaarden die deze overeenkomstig artikel 32 vaststelt, informatie verstrekt inzake de toekenning van de opdrachten.
3. Ten aanzien van individuele concessies of machtigingen die vóór het tijdstip waarop deze richtlijn overeenkomstig artikel 37 door de Lid-Staten ten uitvoer wordt gelegd, zijn verleend, is het bepaalde in lid 1, onder a), b) en c), niet van toepassing indien op dat tijdstip andere diensten vrij zijn om voor de exploitatie van geografische gebieden met het oog op de prospectie of de winning van aardolie, gas, steenkool of andere vaste brandstoffen een machtiging aan te vragen, op niet-discriminerende basis en op grond van objectieve criteria. Lid 1, onder d), is niet van toepassing wanneer de voorwaarden en eisen zijn vastgesteld, toegepast of gewijzigd vóór bovengenoemd tijdstip.
4. Een Lid-Staat die lid 1 wenst toe te passen, stelt de Commissie hiervan in kennis. Te dien einde deelt hij de Commissie alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, overeenkomsten en afspraken mede met betrekking tot de vervulling van de in de leden 1 en 2 genoemde voorwaarden.
De Commissie neemt haar besluit volgens de procedure van artikel 32, leden 4 tot en met 7. Zij maakt haar besluit, en de redenen hiervoor, bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
Ieder jaar doet zij de Raad een verslag toekomen over de tenuitvoerlegging van het onderhavige artikel en zij onderwerpt de toepassing ervan aan een nieuw onderzoek in het kader van het in artikel 36 bedoelde verslag.