Art. 4

1. Bij de inspectie mogen de paardachtigen geen enkel klinisch ziekteverschijnsel vertonen. Voor paardachtigen moet de inspectie binnen 48 uur vóór de inlading geschieden. Deze inspectie is echter, onverminderd artikel 6, voor geregistreerde paardachtigen slechts vereist voor het intracommunautaire handelsverkeer.

2. Onverminderd de in lid 5 genoemde vereisten ten aanzien van ziekten waarvoor een aangifteplicht bestaat, moet de officiële dierenarts zich er tijdens de inspectie van vergewissen dat geen enkel feit - inclusief op basis van de verklaringen van de eigenaar of van de fokker - tot de conclusie leidt dat de paardachtigen de laatste 15 dagen vóór de inspectie in aanraking zijn geweest met paardachtigen die een infectie of een besmettelijke ziekte hebben.

3. Paardachtigen mogen niet afgemaakt en gedestrueerd worden in het kader van een in een Lid-Staat toegepast programma voor de uitroeiing van een besmettelijke ziekte.

4. De paardachtigen moeten als volgt worden geïdentificeerd:

ii) wat geregistreerde paardachtigen betreft, door middel van het in Richtlijn 90/427/EEG bedoelde identificatiedocument, waarin met name moet worden verklaard dat wordt voldaan aan het bepaalde in de leden 5 en 6, alsmede in artikel 5. De geldigheid van dit document dient voor de duur van de in lid 5 of in artikel 5 genoemde verbodsmaatregelen door de officiële dierenarts te worden opgeschort. Het dient na het slachten van het geregistreerde paard te worden teruggegeven aan de instantie die het heeft afgegeven. De uitvoeringsbepalingen van dit punt zullen door de Commissie volgens de procedure van artikel 24 worden vastgesteld;

ii) wat als fok- en gebruiksdieren gehouden paardachtigen betreft, volgens een identificatiemethode die door de Commissie volgens de procedure van artikel 24 moet worden bepaald.

Tot de invoering van deze methode blijven de officieel erkende nationale identificatiemethoden van toepassing, mits zij binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van aanneming van deze richtlijn ter kennis van de Commissie en de andere Lid-Staten worden gebracht.

5. Naast de in artikel 5 genoemde eis, mogen de paardachtigen niet afkomstig zijn van een bedrijf waarvoor een van de volgende verbodsmaatregelen geldt:

a) wanneer niet alle op het bedrijf aanwezige dieren van de soorten die vatbaar zijn voor de ziekte, zijn geslacht of gedood, moet het op het bedrijf van herkomst betrekking hebbende verbod ten minste gelden voor een termijn

- van zes maanden vanaf de datum van het laatste contact of mogelijke contact met een zieke paardachtige, in het geval van paardachtigen die ervan verdacht worden met dourine te zijn aangetast. Wanneer het een hengst betreft, geldt het verbod evenwel tot hij is gecastreerd;

- van zes maanden vanaf de datum waarop de aangetaste paardachtigen zijn afgemaakt en gedestrueerd, in het geval van kwade droes en paardenencefalomyelitis;

- die, in het geval van infectieuze anemie, eindigt op de datum waarop, nadat de aangetaste paardachtigen zijn afgemaakt en gedestrueerd, de resterende dieren negatief hebben gereageerd op twee met een tussenpoos van drie maanden uitgevoerde Coggings-tests;

- van zes maanden vanaf het laatste geval van vesiculaire stomatitis;

- van één maand vanaf de datum van vaststelling van het laatste geval van rabies;

- van 15 dagen vanaf de datum van vaststelling van het laatste geval van miltvuur;

b)

wanneer alle op het bedrijf aanwezige dieren van de soorten die voor een bepaalde ziekte vatbaar zijn, zijn geslacht of gedood en de ruimten zijn ontsmet, geldt het verbod voor een termijn van 30 dagen na de datum waarop de dieren zijn afgemaakt en gedestrueerd en de ruimten ontsmet, behalve voor miltvuur waarvoor de verbodstermijn 15 dagen bedraagt.

De bevoegde instanties kunnen van deze verbodsmaatregelen afwijken voor renbanen en stellen de Commissie op de hoogte van de aard van de toegestane afwijkingen.

6. Indien een Lid-Staat een al dan niet bindend programma opstelt of heeft opgesteld voor de bestrijding van een ziekte waarvoor paardachtigen vatbaar zijn, kan hij binnen zes maanden na de kennisgeving van deze richtlijn aan de Commissie mededeling doen van dat programma, met vermelding van met name:

- de situatie op het gebied van die ziekte op zijn grondgebied,

- de gronden voor de rechtvaardiging van het programma, met name de belangrijkheid van de ziekte en de kosten-batenanalyse,

- het geografische gebied waar het programma zal worden toegepast;

- de diverse aan de inrichtingen toegekende gezondheidsstatussen, de normen waaraan voor elke soort moet worden voldaan en de testprocedures;

- de controleprocedures waarin in het kader van het programma is voorzien,

- de consequenties die moeten worden getrokken wanneer een bedrijf om een of andere reden zijn status verliest,

- de maatregelen die moeten worden genomen wanneer er bij controles die overeenkomstig het programma worden verricht, positieve resultaten worden geconstateerd,

- het niet-discriminerend karakter van het handelsverkeer op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat ten opzichte van het intracommunautaire handelsverkeer.

De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staten medegedeelde programma's. In voorkomend geval keurt zij deze, met inachtneming van de in de eerste alinea genoemde criteria, goed volgens de procedure van artikel 24. Volgens

deze zelfde procedure kunnen ook de algemene of beperkte aanvullende garanties worden vastgesteld die in het intracommunautaire handelsverkeer kunnen worden geëist. Deze garanties mogen niet strenger zijn dan die welke de Lid-Staat in nationaal verband hanteert.

De door de Lid-Staat ingediende programma's kunnen worden gewijzigd of aangevuld volgens de procedure van artikel 25. Volgens deze zelfde procedure kunnen wijzigingen of aanvullingen op een eerder goedgekeurd programma en op de overeenkomstig de tweede alinea vastgestelde garanties worden goedgekeurd.

Uitspraken die dit artikel aanhalen