Art. 14 Richtlijn 90/425/EEG

Richtlijn 90/425/EEG

1. Richtlijn 64/432/EEG (7), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/662/EEG (8), wordt als volgt gewijzigd:

a) artikel 6 wordt vervangen door:

"Artikel 6

De slachtdieren die direct na aankomst in het land van bestemming hetzij rechtstreeks, hetzij via een markt of een erkend verzamelcentrum naar een slachthuis zijn geleid moeten daar, in overeenstemming met de veterinairrechtelijke eisen, zo spoedig mogelijk worden geslacht.

De slachtdieren die onmiddellijk na aankomst in het land van bestemming zijn geleid naar een naast een slachthuis gelegen markt, waarvoor de regeling geldt dat alle dieren, met name na afloop van de markt, uitsluitend mogen worden geleid naar een slachthuis waarvoor hiertoe door de bevoegde centrale autoriteit toestemming is verleend, moeten uiterlijk vijf dagen nadat zij op de markt zijn gebracht in dit slachthuis worden geslacht.

De bevoegde autoriteit van het land van bestemming kan, om veterinairrechtelijke redenen, het slachthuis aanwijzen waarnaar deze dieren moeten worden gezonden.";

b) artikel 7, lid 3, en artikel 8, lid 2, eerste alinea, worden geschrapt;

c) de artikelen 9 en 10 worden vervangen door de volgende artikelen:

"Artikel 9

1. Een Lid-Staat die een nationaal programma heeft tot bestrijding van een van de niet in bijlage E opgenomen besmettelijke ziekten, welk programma voor zijn gehele grondgebied of een gedeelte daarvan geldt, kan aan de Commissie mededeling doen van dat programma, met vermelding van:

- de situatie op het gebied van die ziekte op zijn grondgebied,

- de gronden voor de rechtvaardiging van het programma, met name de belangrijkheid van de ziekte en de kosten-batenanalyse,

- het geografische gebied waar het programma zal worden toegepast,

- de diverse aan de inrichtingen toegekende gezondheidsstatussen, de normen waaraan in elke categorie moet worden voldaan en de testprocedures,

- de controleprocedures waarin in het kader van het programma is voorzien,

- de consequenties die moeten worden getrokken wanneer een inrichting om een of andere reden zijn status verliest,

- de maatregelen die moeten worden genomen wanneer bij overeenkomstig het programma verrichte controles de resultaten positief blijken.

2. De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staten medegedeelde programma's. De in lid 1 bedoelde programma's kunnen met inachtneming van de criteria van lid 1 worden goedgekeurd volgens de procedure van artikel 12. Volgens deze zelfde procedure kunnen terzelfder tijd of uiterlijk drie maanden na goedkeuring van de programma's ook de algemene of beperkte aanvullende garanties worden vastgesteld die in het intracommunautaire handelsverkeer kunnen worden geëist. Deze garanties mogen niet strenger zijn dan die welke de Lid-Staat in nationaal verband hanteert.

3. Het door de Lid-Staat ingediende programma kan worden gewijzigd of aangevuld volgens de procedure van artikel 12. Volgens deze zelfde procedure kunnen wijzigingen of aanvullingen op een eerder goedgekeurd programma en op de overeenkomstig lid 2 vastgestelde garanties worden goedgekeurd.

Artikel 10

1. Wanneer een Lid-Staat van oordeel is dat hij geheel of gedeeltelijk vrij is van een van de ziekten waarvoor runderen en varkens vatbaar zijn, stelt hij de Commissie in het bezit van de nodige bewijsstukken. Die betreffen met name:

- de aard van de ziekte en de wijze waarop de ziekte zich op zijn grondgebied heeft gemanifesteerd,

- de resultaten van de in het kader van een bewakingsprogramma uitgevoerde tests, gebaseerd op een serologisch, microbiologsich of pathologisch en epidemiologisch onderzoek en op het feit dat bij de bevoegde instanties verplicht aangifte van die ziekte moet worden gedaan,

- de looptijd van het bewakingsprogramma,

- eventueel de periode waarin inenting tegen de ziekte is verboden en het geografisch gebied waarvoor dat verbod geldt,

- de voorschriften voor de controle op de afwezigheid van de ziekte.

2. De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staat ingediende bewijsstukken. De algemene of beperkte aanvullende garanties die in het intracommunautaire handelsverkeer kunnen worden geëist, kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 12. Deze garanties mogen niet strenger zijn dan die welke de Lid-Staat in nationaal verband hanteert. Indien de bewijsstukken vóór 1 juli 1991 zijn ingediend moeten besluiten betreffende de aanvullende garanties vóór 1 januari 1992 worden genomen.

3. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van elke wijziging van de in lid 1 genoemde bewijsstukken met betrekking tot de ziekte. In het licht van de medegedeelde informatie kunnen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde garanties volgens de procedure van artikel 12 worden gewijzigd of ingetrokken.".

2. De tweede tot en met de vijfde alinea van artikel 5, lid 2, en de artikelen 7 en 15 van Richtlijn 88/407/EEG (9) worden geschrapt.

3. De tweede tot en met de vierde alinea van artikel 5, lid 2, en artikel 14 van Richtlijn 89/556/EEG (10) worden geschrapt.

4. In artikel 13, eerste alinea, van Richtlijn 72/462/EEG (11), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/227/EEG (12), wordt het getal "drie" vervangen door "vijf".