Art. 23 Richtlijn 89/552/EEG

Richtlijn 89/552/EEG

1. Onverminderd andere in de Lid-Staten geldende burgerrechtelijke, administratiefrechtelijke of strafrechtelijke bepalingen, hebben, ongeacht hun nationaliteit, alle natuurlijke en rechtspersonen wier wettige belangen, met name aanzien en reputatie, zijn aangetast door een onjuiste bewering tijdens een televisie-uitzending, het recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen.

2. Het recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen gelden ten opzichte van alle televisie-omroeporganisaties die onder de rechtsmacht van een Lid-Staat vallen.

3. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om dit recht of deze maatregelen te verwezenlijken en de procedure vast te stellen voor de uitoefening van dit recht. Met name zien zij erop toe dat de termijn voor de uitoefening van het recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen voldoende ruim is en dat een en ander zodanig is georganiseerd dat natuurlijke of rechtspersonen die in andere Lid-Staten woonachtig of gevestigd zijn, dit recht of deze maatregelen op passende wijze kunnen uitoefenen.

4. Het verzoek om recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen kan worden geweigerd indien een dergelijk verzoek volgens de in lid 1 vastgestelde voorwaarden niet is gerechtvaardigd, een strafbare handeling behelst, de omroeporganisatie door uitzending civielrechtelijk aansprakelijk zou kunnen worden gesteld of indien het verzoek indruist tegen de goede zeden.

5. Er dient te worden voorzien in procedures waarbij geschillen betreffende de uitoefening van het recht op weerwoord of vergelijkbare maatregelen aan het oordeel van de rechter kunnen worden voorgelegd.