Art. 4

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 16, mag de restitutie slechts worden uitbetaald als het bewijs is geleverd dat de produkten waarvoor de uitvoeraangifte is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

2. Voor de toepassing van deze verordening worden voor de proviandering van boor- of produktieplatforms als bedoeld in artikel 42, lid 1, onder a), geleverde produkten geacht het douanegebied van de Gemeenschap te hebben verlaten.

3. Het invriezen van de produkten of goederen laat het bepaalde in lid 1 onverlet.

Dit geldt eveneens voor herverpakking indien deze niet leidt tot een verandering ten aanzien van de onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur of de onderverdeling van de nomenclatuur die voor de restituties of voor andere bedragen bij uitvoer wordt gebruikt. Deze herverpakking mag eerst plaatsvinden nadat de douaneautoriteiten vooraf ervan in kennis zijn gesteld en ermee hebben ingestemd.

Bij herverpakking wordt het in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2823/87 bedoelde controle-exemplaar T 5 dienovereenkomstig ingevuld.

4. Indien de in lid 1 vermelde termijn ten gevolge van overmacht niet in acht kon worden genomen, kan deze termijn op verzoek van de exporteur worden verlengd met een door de bevoegde instantie van de Lid-Staat waar de aangifte ten uitvoer is aanvaard, op grond van de aangevoerde omstandigheid nodig geoordeelde termijn.

Uitspraken die dit artikel aanhalen