Art. 12 Verordening (EEG) nr. 2241/87
1. De Lid-Staten verstrekken de Commissie desgevraagd alle inlichtingen omtrent de toepassing van deze verordening. Wanneer de Commissie om inlichtingen vraagt, stelt zij een termijn vast waarbinnen de inlichtingen moeten worden verstrekt.
2. Indien de Commissie van oordeel is dat bij de toepassing van deze verordening onregelmatigheden zijn voorgekomen, brengt zij dit ter kennis van de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten, waarop door deze een administratief onderzoek wordt ingesteld waaraan ambtenaren van de Commissie kunnen deelnemen. De betrokken Lid-Staat of Lid-Staten houden de Commissie op de hoogte van de voortgang en de resultaten van het onderzoek, en doen de Commissie een afschrift van het onderzoekverslag en de wezenlijke gegevens toekomen die bij de opstelling van dat verslag zijn gebruikt.
3. Ten einde de naleving van deze verordening door de Lid-Staten te garanderen, kan de Commissie de toepassing ervan ter plaatse controleren in samenwerking met de bevoegde nationale instanties.
4. a) Te dien einde kunnen de door de Commissie gemachtigde ambtenaren, voor zover de Commissie zulks nodig acht, de inspecties en controlewerkzaamheden van de nationale instanties bijwonen. De Commissie brengt passende contacten met de Lid-Staten tot stand, ten einde voor zover mogelijk een wederzijds aanvaardbaar inspectie- en controleprogramma op te stellen. De Lid-Staten werken met de Commissie samen om haar de uitvoering van deze taak te vergemakkelijken. Wanneer de Commissie of de door haar gemachtigde ambtenaren bij de uitvoering van hun taak op moeilijkheden stuiten, stelt de betrokken Lid-Staat de Commissie de middelen ter beschikking om haar actie tot een goed einde te brengen en stelt hij de gemachtigde ambtenaren van de Commissie in staat om toezicht te houden over de gevraagde inspectie- of controlewerkzaamheden. Wanneer het inspecties ter zee of vanuit de lucht betreft, behouden de autoriteiten van de Lid-Staat evenwel, in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de bevoegde nationale instanties andere prioritaire taken dienen uit te voeren die met name betrekking hebben op de defensie, de veiligheid of de douanecontrole, het recht de inspectiewerkzaamheden die de Commissie wenst bij te wonen, uit te stellen of anders in te richten; in dergelijke gevallen werkt de betrokken Lid-Staat met de Commissie samen om alternatieve regelingen te treffen.
b) Ingeval van inspecties ter zee of inspecties vanuit de lucht is alleen de gezagvoerder van het vaartuig of het vliegtuig verantwoordelijk voor de inspectiewerkzaamheden, met inachtneming van de verplichting van zijn autoriteiten om deze verordening toe te passen. De door de Commissie gemachtigde ambtenaren die aan deze inspectiewerkzaamheden deelnemen, voegen zich naar de door de gezagvoerder vastgestelde regels en gebruiken.
c) In geen geval, ongeacht of het inspecties ter zee, vanuit de lucht of te land betreft, hebben de door de Commissie gemachtigde ambtenaren het recht controles op particuliere personen uit te voeren, maar vergezellen zij de nationale inspecteurs, die te allen tijde verantwoordelijk blijven voor de verrichte inspectiewerkzaamheden. TITEL V
Gebruik van vistuig