Art. 4 Verordening (EEG) nr. 4056/86, Voorwaarde voor de vrijstelling

Verordening (EEG) nr. 4056/86

De in de artikelen 3 en 6 bedoelde vrijstelling wordt verleend op voorwaarde dat de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging binnen de gemeenschappelijke markt geen nadeel toebrengt aan bepaalde havens, vervoergebruikers of vervoerders doordat voor het vervoer van dezelfde goederen in het gebied dat onder de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging valt, vervoertarieven en -voorwaarden worden toegepast die verschillen naar gelang van het land van herkomst of bestemming of van de haven van lading of lossing, tenzij deze tarieven en voorwaarden economisch kunnen worden gerechtvaardigd.

Elke overeenkomst, elk besluit of, indien het daarvan kan worden losgemaakt, elk deel van zo'n overeenkomst of besluit dat niet in overeenstemming is met de voorgaande alinea, is van rechtswege nietig krachtens artikel 85, lid 2, van het Verdrag.

Vorige artikelen

Volgende artikelen