Art. 19 Richtlijn 85/611/EEG

Richtlijn 85/611/EEG

1. De beleggingen van een beleggingsfonds en van een beleggingsmaatschappij mogen uitsluitend bestaan uit:

a)tot de officiële notering aan een effectenbeurs van een Lid-Staat toegelaten effecten;

b)op een andere gereglementeerde, regelmatig functionerende, erkende en open markt van een Lid-Staat verhandelde effecten;

c)tot de officiële notering van een effectenbeurs van een derde land toegelaten of op een andere gereglementeerde, regelmatig functionerende, erkende en open markt van een derde land verhandelde effecten, mits de keuze van de beurs of de markt door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd dan wel de wet en/of het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij daarin voorzien;

d)nieuw uitgegeven effecten, onder voorbehoud dat -de emissievoorwaarden de verplichting inhouden dat toelating tot de officiële notering op een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde, regelmatig functionerende, erkende en open markt wordt aangevraagd, en mits de keuze van de beurs of de markt door de bevoegde autoriteiten is goedgekeurd dan wel de wet en/of het fondsreglement of de statuten van de beleggingsmaatschappij daarin voorzien;

-de toelating uiterlijk binnen een jaar na de uitgifte wordt verkregen.

2. Niettemin:

a)mag een icbe ten hoogste 10 % van haar activa beleggen in andere effecten dan de in lid 1 bedoelde;

b)kunnen de Lid-Staten bepalen dat icbe's ten hoogste 10 % van hun activa mogen beleggen in vorderingen die voor de toepassing van deze richtlijn wegens hun kenmerken gelijkgesteld kunnen worden met effecten en die courant verhandelbaar en liquide zijn en waarvan op ieder ogenblik of althans met de in artikel 34 bedoelde regelmaat de waarde nauwkeurig kan worden bepaald;

c)mag een beleggingsmaatschappij roerende en onroerende goederen verwerven die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid;

d)mag een icbe geen edele metalen of certificaten die dergelijke metalen vertegenwoordigen, verwerven.

3. De in lid 2, onder a) en b), bedoelde beleggingen mogen in geen geval gezamenlijk meer dan 10 % van de activa van een icbe bedragen.

4. Beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen mogen accessoir ook liquide middelen houden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen