Art. 14 Richtlijn 85/611/EEG
1. De activa van een beleggingsmaatschappij moeten in bewaring worden gegeven bij een bewaarder.
2. De in artikel 16 bedoelde aansprakelijkheid van de bewaarder blijft bestaan wanneer hij de hem in bewaring gegeven activa geheel of ten dele aan derden toevertrouwt.
3. De bewaarder is bovendien gehouden:
a)zich ervan te vergewissen dat de verkoop, uitgifte, inkoop, terugbetaling en intrekking van rechten van deelneming voor rekening van of door de beleggingsmaatschappij overeenkomstig de wet of de statuten van de beleggingsmaatschappij geschieden ;
b)zich ervan te vergewissen dat bij de transacties met betrekking tot de activa van de maatschappij, de tegenwaarde hem binnen de gebruikelijke termijnen wordt voldaan;
c)zich ervan te vergewissen dat de opbrengsten van de maatschappij een bestemming krijgen in overeenstemming met de wet en de statuten.
4. Een Lid-Staat kan bepalen dat de zich op zijn grondgebied bevindende beleggingsmaatschappijen die hun rechten van deelneming uitsluitend via één of meer effectenbeurzen verhandelen en die aldaar in de officiële notering zijn opgenomen, niet over een bewaarder in de zin van deze richtlijn behoeven te beschikken.
De artikelen 34, 37 en 38 zijn niet van toepassing op deze maatschappijen. De regels voor de waardering van de activa van deze maatschappijen moeten evenwel in de wet en/of hun statuten worden vermeld.
5. Een Lid-Staat kan bepalen dat de zich op zijn grondgebied bevindende beleggingsmaatschappijen die ten minste 80 % van hun rechten van deelneming via één of meer in de statuten aangewezen effectenbeurzen verhandelen, niet over een bewaarder in de zin van deze richtlijn behoeven te beschikken, op voorwaarde dat deze rechten van deelneming zijn toegelaten tot de officiële notering van de effectenbeurzen van de Lid-Staten op wier grondgebied de rechten van deelneming worden verhandeld en mits de door de beleggingsmaatschappij buiten de beurs om verrichte transacties alleen tegen beurskoers plaatsvinden. In de statuten van de beleggingsmaatschappij moet de beurs in het land van verhandeling worden vermeld waarvan de notering de prijs bepaalt van de transacties die in dat land door de beleggingsmaatschappij buiten de beurs om worden verricht.
Een Lid-Staat maakt van de in de vorige alinea bedoelde mogelijkheid slechts gebruik indien hij van oordeel is dat de deelnemers een bescherming genieten die gelijkwaardig is aan die welke wordt genoten door deelnemers in icbe's die wel een bewaarder in de zin van deze richtlijn hebben.
Deze en de in lid 4 bedoelde maatschappijen moeten in het bijzonder:
a)wanneer de wet hieromtrent niets bepaalt, in hun statuten de methoden voor de berekening van de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming vermelden;
b)op de markt optreden om te voorkomen dat de waarde van hun rechten van deelneming ter beurze meer dan 5 % afwijkt van hun intrinsieke waarde;
c)de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming vaststellen, ten minste tweemaal per week ter kennis van de bevoegde autoriteiten brengen en tweemaal per maand bekendmaken.
Een onafhankelijk controleur van de jaarrekening moet zich er ten minste tweemaal per maand van vergewissen dat de berekening van de waarde van de rechten van deelneming plaatsvindt overeenkomstig de wet en de statuten van de maatschappij. Bij die gelegenheid moet de controleur nagaan of de activa van de maatschappij volgens de wettelijke voorschriften en de statuten worden belegd.
6. De Lid-Staten delen de Commissie de identiteit mede van de maatschappijen waarvoor de in de leden 4 en 5 bedoelde afwijkingen gelden.
Binnen vijf jaar na de tenuitvoerlegging van deze richtlijn brengt de Commissie aan het Contactcomité verslag uit over de toepassing van de leden 4 en 5. Nadat het Contactcomité advies heeft uitgebracht, stelt de Commissie zo nodig passende maatregelen voor.