Art. 55 Verordening (EEG) nr. 918/83
Het verlenen van de vrijstelling wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat aan de hand van uitvoeringsbepalingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in artikel 143 , leden 2 en 3 , bedoelde procedure , is geconstateerd dat instrumenten of apparaten met dezelfde wetenschappelijke waarde als de instrumenten of apparaten waarvoor vrijstelling van invoerrechten wordt gevraagd - of , indien het om gereedschap gaat , dat soortgelijk gereedschap als dat waarvoor vrijstelling van rechten bij invoer wordt gevraagd - op dat tijdstip niet in de Gemeenschap worden of wordt vervaardigd .