Art. 9 Richtlijn 83/182/EEG, Bijzondere regelingen
1. De Lid-Staten kunnen meer liberale regelingen handhaven en/of treffen dan die waarin deze richtlijn voorziet . Zij kunnen met name op verzoek van de invoerende persoon de tijdelijke invoer toestaan voor een duur die langer is dan die welke wordt genoemd in artikel 3 en artikel 4 , lid 2 . In het laatstgenoemde geval hebben de Lid-Staten het recht om de in de bijlage genoemde belastingen te heffen gedurende langere periodes dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld . De Lid-Staten kunnen ook toestaan dat de in artikel 3 , sub b ) , tweede zin , bedoelde personenvoertuigen met het oog op hun wederuitvoer worden wederverhuurd aan een ingezetene van de Lid-Staat van invoer .
2. De Lid-Staten mogen in geen geval krachtens deze richtlijn belastingvrijstellingen binnen de Gemeenschap toepassen die minder gunstig zijn dan die welke zij voor vervoermiddelen uit derde landen zouden verlenen .
3. Het Koninkrijk Denemarken wordt gemachtigd tot handhaving van de in Denemarken geldende voorschriften met betrekking tot de gewone verblijfplaats volgens welke iedereen , studenten daaronder begrepen voor het geval bedoeld in artikel 5 , lid 1 , sub b ) , geacht wordt zijn gewone verblijfplaats in Denemarken te hebben als hij er in een tijdvak van 24 maanden gedurende één jaar of 365 dagen verblijft .
Om evenwel elke dubbele heffing te vermijden :
- wanneer de toepassing van deze voorschriften ertoe leidt te besluiten dat een persoon twee verblijfplaatsen heeft , bevindt de normale verblijfplaats van deze persoon zich op de plaats waar zijn echtgenote en zijn kinderen verblijven ;
- in soortgelijke gevallen pleegt het Koninkrijk Denemarken met de andere betrokken Lid-Staat overleg om te bepalen welke van de twee verblijfplaatsen voor de belasting moet worden gekozen .
Binnen drie jaar gaat de Raad aan de hand van een verslag van de Commissie over tot een nieuwe bespreking van de in het onderhavige lid bedoelde afwijking en stelt hij , in voorkomend geval , op voorstel van de Commissie krachtens artikel 99 van het Verdrag de nodige maatregelen voor de intrekking ervan vast .
4. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde regelingen op het ogenblik waarop zij voldoen aan de verplichtingen van artikel 10 . Vervolgens deelt de Commissie deze regelingen mee aan de andere Lid-Staten .