Art. 10 Richtlijn 77/92/EEG
1. Indien een ontvangende Lid-Staat van zijn onderdanen voor de toegang tot een van de in artikel 2 bedoelde werkzaaniheden een bewijs van betrouwbaarheid en het bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgehad of slechts één van deze twee bewijzen eist , erkent deze Lid-Staat als voldoende bewijs voor de onderdanen van de andere Lid-Staten het overleggen van een uittreksel uit het strafregister of , bij ontbreken daarvan , een door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van de Lid-Staat van oorsprong of herkomst afgegeven gelijkwaardig document , waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan .
2. Wanneer het in lid 1 bedoelde document niet door de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst wordt afgegeven , kan dit worden vervangen door een verklaring onder ede - of , in de Lid-Staten waar niet in een eed is voorzien , door een plechtige verklaring - welke door de betrokkene wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie of , in voorkomend geval , van een notaris van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst , welke een attest afgeven dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht geeft . De verklaring betreffende het feit dat er geen faillissement heeft plaatsgehad , mag ook worden afgelegd ten overstaan van een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie van die zelfde Staat .
3. De overeenkomstig de leden 1 en 2 afgegeven documenten mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden .
4. De Lid-Staten wijzen binnen de in artikel 13 gestelde termijn de voor de afgifte van de in de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel bedoelde documenten bevoegde instanties en organisaties aan en stellen de overige Lid-Staten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis .
Binnen de in artikel 13 gestelde termijn deelt iedere Lid-Staat de overige Lid-Staat en de Commissie tevens mede bij welke instanties en organisaties de in het onderhavige artikel bedoelde documenten tot staving van het verzoek om in de ontvangende Lid-Staat de in artikel 2 bedoelde werkzaamheden te mogen uitoefenen , moeten worden ingediend .
5. Indien in de ontvangende Lid-Staat de financiële draagkracht moet worden bewezen , erkent deze Staat de door de banken van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst afgegeven verklaringen als gelijkwaardig aan de op zijn eigen grondgebied afgegeven bewijsstukken .