Art. 2 Verordening (EEG) nr. 101/76

Verordening (EEG) nr. 101/76

1. De in elke van de Lid-Staten geldende regeling voor de uitoefening van de visserij in het gedeelte der zee dat onder hun soevereiniteit of hun jurisdictie valt mag niet leiden tot verschillen in behandeling ten opzichte van andere Lid-Staten .

Met name dienen de Lid-Staten te waarborgen dat voor alle vissersvaartuigen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen en op het grondgebied van de Gemeenschap staan ingeschreven , gelijke voorwaarden gelden ten aanzien van de toegang tot en de bevissing van de visgronden in het in de voorgaande alinea bedoelde gedeelte der zee .

2. Zij doen de andere Lid-Staten en de Commissie mededeling van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op het in de eerste alinea van lid 1 bedoelde gebied bestaan , alsmede van de maatregelen die voortvloeien uit de toepassing van de tweede alinea van hetzelfde lid .

3. Het in dit artikel bedoelde gedeelte der zee is het gedeelte dat als zodanig wordt aangeduid door de in iedere Lid-Staat geldende wetten .

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen