Art. 5 Richtlijn 76/464/EEG

Richtlijn 76/464/EEG

1. In de emissienormen , vastgesteld in de vergunningen die worden verleend uit hoofde van artikel 3 , worden bepaald :

a) de in de lozingen toelaatbare maximumconcentratie van een stof . In geval van verdunning moet de in artikel 6 , lid 1 , sub a ) , bedoelde grenswaarde worden gedeeld door de verdunningsfactor ;

b) de in de lozingen toelaatbare maximumhoeveelheid van een stof tijdens een of meer bepaalde perioden . Zo nodig kan deze hoeveelheid bovendien worden uitgedrukt in een gewichtseenheid van de verontreinigende stof per eenheid van het element dat kenmerkend is voor de verontreinigende werkzaamheid ( bijvoorbeeld , gewichtseenheid per grondstof of per eenheid produkt ) .

2. Voor elke vergunning kan de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat , indien zulks noodzakelijk is , strengere emissienormen vaststellen dan die welke resulteren uit de toepassing van de door de Raad krachtens artikel 6 vastgestelde grenswaarden , daarbij met name rekening houdende met de toxiciteit , de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stof in het milieu waarin de lozing plaatsvindt .

3. Indien de lozer verklaart dat hij de opgelegde emissienormen niet in acht kan nemen , of indien de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat zulks constateert , wordt de vergunning geweigerd .

4. Indien de emissienormen niet in acht worden genomen , neemt de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat alle nodige maatregelen om er voor te zorgen dat aan de voorwaarden van de vergunning wordt voldaan en dat , zo nodig , de lozing wordt verboden .