Art. 79 Verordening (EEG) nr. 1408/71, Gemeenschappelijke bepalingen inzake bijslagen voor kinderen ten laste van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen

Verordening (EEG) nr. 1408/71

1. De bijslagen in de zin van de artikelen 77 en 78 worden, volgens de overeenkomstig deze artikelen bepaalde wettelijke regeling, door en voor rekening van het met de uitvoering van die wettelijke regeling belaste orgaan verleend, alsof de pensioen- of rentetrekker, of de overleden werknemer uitsluitend aan de wettelijke regeling van de bevoegde Staat onderworpen was geweest.

Echter:

a) indien deze wettelijke regeling bepaalt dat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op bijslagen afhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering of van arbeid, wordt deze tijdsduur, eventueel met inachtneming van artikel 45, respectievelijk 72, vastgesteld;

b) indien deze wettelijke regeling bepaalt, dat het bedrag der bijslagen wordt berekend op grond van het pensioenbedrag, of afhankelijk is van de duur der tijdvakken van verzekering, dan wordt het bedrag dezer bijslagen berekend op grond van het overeenkomstig artikel 46, lid 2, vastgestelde theoretische bedrag.

2. Ingeval toepassing van de in lid 2, sub b), ii), van de artikelen 77 en 78 neergelegde regel er bij gelijke duur van de tijdvakken van verzekering toe leidt, dat meer dan een Lid-Staat bevoegd is, worden de bijslagen in de zin van artikel 77 respectievelijk artikel 78, toegekend overeenkomstig de wettelijke regeling van die van deze Staten, waaraan de werknemer het laatst onderworpen was.

3. De aanspraken op de bijslagen, verschuldigd krachtens lid 2 en krachtens de artikelen 77 en 78, worden geschorst, indien voor de kinderen krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat op grond van verrichte beroepswerkzaamheden recht op gezins- of kinderbijslagen bestaat. In dat geval worden de betrokkenen als gezinsleden van een werknemer beschouwd.