Art. 9 Eerste Richtlijn 68/151/EEG
1. De vennootschap wordt ten opzichte van derden gebonden door de rechtshandelingen welke door haar organen worden verricht , ook al vallen deze handelingen niet onder het vennootschapsdoel , tenzij door genoemde handelingen de bevoegdheden worden overschreden welke aan deze organen volgens de wet toekomen of kunnen worden toegekend .
De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat de vennootschap niet wordt gebonden als deze handelingen de grenzen van het vennootschapsdoel overschrijden , indien zij bewijst dat de derde wist dat de handeling de grenzen van dit doel overschreed of hiervan , gezien de omstanddigheden , niet onkundig kon zijn ; bekendmaking van de statuten alleen is hiertoe echiter geen voldoende bewijs .
2. De grenzen welke door de statuten of door een beslissing van de bevoegde organen aan de bevoegdheden van de organen van de vennootschap vorden gesteld , kunnen nooit aan derden worden tegengeworpen , zelfs niet indien zij bekend zijn emaakt .
3. Indien de nationale wetgeving bepaalt dat de bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen , in afwijking van de wettelijke regel op dit gebied , door de statuten aan een enkele persoon of aan meerdere , gezamenlijk handelende personen aan worden verleend , kan in deze wetgeving worden voorgeschreven dat deze bepaling van de statuten aan derden kan worden regengeworden , op voorwaarde dat zij betrekking heeft op de algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid ; de vraag of een dergelijke statutaire bepaling aan derden kan worden tegengeworpen , is onderworpen aan artikel 3 .