Art. 11 Eerste Richtlijn 68/151/EEG
In de wetgeving van de Lid-Staten kan de nietigheid van vennootschappen slechts met inachtneming van de volgende voorwaarden worden geregeld :
1. de nietigheid moet door de rechter worden uitgesproken ;
2. alleen in de volgende gevallen kan de nietigheid worden uitgesproken :
a) het ontbreken van de oprichtingsakte of het niet inachtnemen van de formaliteiten van voorafgaande controle of van de authentieke vorm ;
b) wanneer het werkelijke doel van de vennootschap ongeoorloofd is of strijdig met de openbare orde ;
c) het ontbreken in de oprichtingsakte of in de statuten van elk gegeven aangaande de naam van de vennootschap , de inbreng , het bedrag van het geplaatste kapitaal of het doel van de vennootschap ;
d) het niet naleven van de bepalingen van de nationale wetgeving betreffende de minimumstorting in het kapitaal van de vennootschap ;
e) de handelingsonbekwaamheid van alle vennoten-oprichters ;
f) wanneer , in strijd met de nationale wetgeving waardoor de vennootschap wordt beheerst , het aantal vennoten-oprichters minder dan twee bedraagt .
Buiten deze gevallen van nietigheid geldt er voor de vennootschappen geen enkele grond van onbestaanbaarheid , van absolute nietigheid , van relatieve nietigheid of van vernietigbaarheid .