ABRvS 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3651
Bij besluit van 7 januari 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe het verzoek van MOB en Leefmilieu om de natuurvergunning van 7 mei 2019 van de [appellante sub 1] voor het in werking hebben en exploiteren van een geitenhouderij aan de [locatie] in Borger in te trekken, afgewezen. Aan [appellante sub 1] is op 7 mei 2019 een natuurvergunning verleend voor het uitbreiden van de veestapel van 620 volwassen en 250 opfokgeiten met een ammoniakemissie van 1378 kg/jaar naar 1235 volwassen geiten met een ammoniakemissie van 2346,50 kg/jr. MOB en Leefmilieu hebben verzocht om intrekking van deze natuurvergunning op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, en het tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Volgens MOB en Leefmilieu ligt aan de vergunning geen toereikende passende beoordeling ten grondslag. Ook worden volgens MOB en Leefmilieu onvoldoende passende maatregelen genomen om verslechtering of verstoring te voorkomen van de natuurwaarden in onder meer het Natura 2000-gebied Drouwenerzand. Het college heeft bij het besluit van 2 juni 2022 de afwijzing van het verzoek om intrekking van de natuurvergunning gehandhaafd. Volgens het college is de intrekking van de natuurvergunning niet nodig en ook onevenredig, omdat de verwachting is dat op termijn de instandhoudingsdoelen in de betrokken Natura 2000-gebieden zullen worden gehaald.
De uitspraak op rechtspraak.nl