ABRvS 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4221
Bij besluit van 24 januari 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 1.250,00, omdat zij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. In een brief van 8 oktober 2018 heeft de staatssecretaris [appellante] laten weten dat zij inburgeringsplichtig is. Zij is in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van artikel 8, onder a, van de Vw 2000. Haar inburgeringstermijn is op 17 augustus 2018 gestart en zij moest, nadat de staatssecretaris deze termijn een aantal keer heeft verlengd, voor 13 augustus 2022 aan haar inburgeringsplicht voldoen. Omdat [appellante] niet op tijd aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, heeft de staatssecretaris haar een boete opgelegd. [appellante] betoogt dat het haar niet valt te verwijten dat zij niet op tijd aan haar inburgeringsplicht heeft voldaan. [appellante] voert daartoe aan dat zij drie maanden aaneengesloten ziek was, waardoor de staatssecretaris de inburgeringstermijn had moeten verlengen. In de bezwaarprocedure heeft zij haar medisch dossier overgelegd, waaruit volgens [appellante] volgt dat zij ernstige medische klachten had.
De uitspraak op rechtspraak.nl