ABRvS 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4135

Bij besluit van 26 maart 2020 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand de vastgestelde vergoeding voor de toevoeging aan [wederpartij] met het kenmerk 1HX4633 ingetrokken en het aan zijn rechtsbijstandverlener uitgekeerde bedrag van € 3.358,98 bij hem teruggevorderd. Op 4 mei 2017 heeft de rechtsbijstandverlener van [wederpartij] namens hem een aanvraag om een toevoeging ingediend voor rechtsbijstand in een strafzaak. Bij besluit van 9 mei 2017, met kenmerk 1HX4633, is zijn aanvraag afgewezen. Daaraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat het vastgestelde inkomen en vermogen van [wederpartij] de wettelijk vastgestelde financiële grenzen om in aanmerking te komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand, overschrijdt. Op 25 mei 2017 heeft [wederpartij] een verzoek om peiljaarverlegging ingediend. Daarin heeft hij te kennen gegeven dat hij door faillissement en beslaglegging geen inkomen heeft. Dit verzoek is met het besluit van 30 juni 2017 ingewilligd. De raad heeft alsnog gesubsidieerde rechtsbijstand toegekend onder oplegging van een eigen bijdrage van € 143,00.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen