ABRvS 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2075
Bij besluit van 9 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Betrokkene is van Palestijnse afkomst en is staatloos. Zij komt uit de Westelijke Jordaanoever en is geregistreerd als vluchteling bij de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA). Tot haar vertrek uit het UNRWA-werkgebied heeft zij bescherming van deze organisatie genoten. De minister van Asiel en Migratie heeft een eerdere asielaanvraag van betrokkene afgewezen, omdat zij vrijwillig het UNRWA-werkgebied heeft verlaten zonder dat is gebleken dat de bescherming of bijstand van de UNRWA op dat tijdstip was opgehouden. Daarom was betrokkene volgens de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, en daarmee artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn, uitgesloten van de werking van het Vluchtelingenverdrag. Dat afwijzende besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Betrokkene heeft in haar opvolgende asielaanvraag gewezen op verschillende bronnen waaruit volgens haar blijkt dat de UNRWA niet meer in staat is de levensstandaard te bieden die strookt met haar opdracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl