ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1319
Bij onderscheidenlijke besluiten van 30 oktober 2019, 4 december 2019 en 16 januari 2020 heeft de minister voor rechtsbescherming het verzoek van [appellant sub 1] om inzage van zijn persoonsgegevens en die van zijn zoon, gedeeltelijk toegewezen. [appellant sub 1] heeft een minderjarige zoon samen met zijn ex-vrouw. [appellant sub 1] en zijn ex-vrouw zijn in verschillende civiele en strafrechtelijke procedures verwikkeld geraakt. Daarbij is ook de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) betrokken. De RvdK heeft onderzoek gedaan en een zogenoemd kinddossier over de zoon aangelegd. [appellant sub 1] heeft eerder op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens verzocht om inzage in de contacten tussen onder meer de RvdK en zijn ex-vrouw. De Afdeling heeft in die procedure uitspraak gedaan op 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1141, 201800994/1/A3. Daarin is onder meer beslist dat zijn verzoek niet zag op persoonsgegevens van de zoon. [appellant sub 1] heeft de RvdK bij brief van 19 mei 2019 verzocht om inzage in persoonsgegevens die de RvdK over hem en zijn zoon verwerkt en dit verzoek gebaseerd op de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 (de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4279
- HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1372
- ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1040
- ABRvS 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3067
- Hof Amsterdam 21 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1282
- ABRvS 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1141
- ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2803
- HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129