ABRvS 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1040
Bij besluit van 6 november 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het inzageverzoek van [appellante] gedeeltelijk ingewilligd. [appellante] heeft op basis van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming een verzoek ingediend bij het college om inzage in alle documentatie waarin persoonsgegevens van haar kinderen zijn verwerkt. Volgens [appellante] beschikt het college over meer documenten dan waarvan zij inzage heeft gehad of heeft verkregen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college over meer documenten met persoonsgegevens beschikt, dan het college al aan haar heeft verstrekt. Verder heeft de rechtbank [appellante] niet gevolgd in haar betoog dat het besluit van 15 maart 2021 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college daarin geen antwoord heeft gegeven op de door [appellante] bij e-mail van 8 februari 2021 gestelde vragen. Dat in de persoonlijke inbox van jeugdregisseurs, die nu niet meer bij het college werkzaam zijn, mogelijk persoonsgegevens van haar kinderen hebben gestaan, maakt dat niet anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl