ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478
Bij besluit van 2 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [wederpartij] om naturalisatie van hemzelf en om medenaturalisatie van zijn drie minderjarige kinderen afgewezen. In de besluiten van 2 april 2021 en 23 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat ernstige vermoedens bestaan dat [wederpartij] een gevaar vormt voor de openbare orde. De reden hiervoor is dat uit het justitieel documentatiesysteem blijkt dat hij zich in de proeftijd van een voorwaardelijk sepot vanwege een misdrijf bevindt. Tegen hem is namelijk een aangifte van smaad en laster gedaan en het parket Zeeland-West-Brabant heeft deze aangifte voorwaardelijk geseponeerd met een proeftijd van 28 december 2020 tot 28 december 2021. Volgens de staatssecretaris doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die maken dat hij toch het Nederlanderschap had moeten verlenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4787
- ABRvS 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1826
- ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1357
- ABRvS 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:878
- ABRvS 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:21
- ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840
- ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412
- ABRvS 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1028
- ABRvS 3 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL1859