ABRvS 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4324
Bij besluit van 25 mei 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woont samen met zijn vijf kinderen in een driekamerappartement van 62 m2. Volgens [appellant] is de situatie van het gezin in de huidige woning onhoudbaar en onverantwoord voor de psychische en fysieke gezondheid van zijn kinderen. Het ruimtegebrek zorgt volgens [appellant] dat zijn kinderen zich niet goed kunnen ontwikkelen en daarom heeft hij een urgentieverklaring aangevraagd. Het college heeft bij het besluit op bezwaar van 5 oktober 2021 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Volgens het college is er geen urgent huisvestingsprobleem omdat [appellant] beschikt over een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd voor een zelfstandige woning. Dat de woning te klein is wordt niet aangemerkt als een urgent huisvestingsprobleem.
De uitspraak op rechtspraak.nl