ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4269
[appellant] heeft het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand bij brief van 2 mei 2019 verzocht om vergoeding van schade. De RvR heeft dit verzoek afgewezen. [appellant] heeft vervolgens de rechtbank bij brief van 21 juni 2019 verzocht om de RvR te veroordelen tot vergoeding van schade. Bij uitspraak van 8 november 2021 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om de RvR te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen. [appellant] had tot 14 september 2016 een advocatenpraktijk in Den Haag, die zijn naam droeg. Hij behandelde hoofdzakelijk toevoegingszaken. In het voorjaar van 2016 is de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag een onderzoek gestart naar de praktijk van [appellant], na signalen van de president van de rechtbank Rotterdam over de praktijkvoering van [appellant] in verband met zijn handelwijze in toevoegingszaken. [appellant] heeft de rechtbank verzocht de RvR te veroordelen tot vergoeding van de inkomens- en reputatieschade. Hij stelt die schade te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige intrekkingsbesluiten van 6 december 2016.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1334
- ABRvS 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2023
- HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510
- Hof van Discipline 24 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:151
- ABRvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1669
- Hof van Discipline 13 december 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:212
- Hof van Discipline 19 april 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:40
- ABRvS 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3633
- ABRvS 30 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1074
- ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:593
- Raad van Discipline 's-Gravenhage 11 december 2017, ECLI:NL:TADRSGR:2017:246
- ABRvS 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2081
- Raad van Discipline 's-Gravenhage 3 oktober 2016, ECLI:NL:TADRSGR:2016:195