ABRvS 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2010

Bij besluit van 30 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] is een alleenstaande moeder van een minderjarige zoon. Ze komt uit Suriname en heeft zich samen met haar zoon op 4 oktober 2018 in Amsterdam gevestigd. Ze heeft sindsdien een postadres bij een daklozenloket. Op 3 juli 2021 heeft ze een urgentieverklaring bij het college aangevraagd op sociale gronden. Ze woonde met haar zoon tot 24 februari 2022 bij kennissen in en verblijft sindsdien in een noodopvang. Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring bij het besluit van 30 juli 2021 afgewezen en heeft de afwijzing bij het besluit van 20 januari 2022 gehandhaafd. Volgens het college doen zich twee weigeringsgronden voor. Ten eerste voldoet [appellante] niet aan de regiobindingseis van vier jaar als bedoeld in artikel 2.6.5. eerste lid, onder i, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, omdat zij ten tijde van het besluit van 20 januari 2022 nog niet vier jaren in Amsterdam woonde

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken