ABRvS 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1244
[appellant] heeft op 11 januari 2021 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de weigering van de deken van de Orde van Advocaten Limburg om zijn klacht door te zenden naar de Raad van Discipline. [appellant] heeft op 24 mei 2018 een klacht ingediend tegen een advocaat op grond van artikel 46c van de Advocatenwet. Bij brief van 12 december 2018 heeft de deken de klacht kennelijk ongegrond geacht. Daarbij heeft de deken [appellant] meegedeeld dat de klacht desgewenst en na betaling van griffierecht wordt doorgezonden naar de Raad van Discipline. Bij e-mail van 27 april 2020 heeft [appellant] de deken verzocht de klacht door te zenden naar de Raad van Discipline onder verlening van vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. [appellant] heeft op 24 juni 2020 bezwaar gemaakt tegen de weigering om de klacht onder vrijstelling van griffierecht door te zenden naar de Raad van Discipline.
De uitspraak op rechtspraak.nl