ABRvS 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:955
Bij besluit van 25 april 2019 heeft de raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de raad van de Amsterdamse Orde), de verzoeken van [appellant] om afgifte van een stageverklaring afgewezen en het verzoek om inschrijving als advocaat niet in behandeling genomen. [appellant] stond van 1995 tot 2001 ingeschreven als advocaat. In verband met arbeidsongeschiktheid is [appellant] in maart 2001 van het tableau geschrapt. Daarbij is de stage van [appellant] geëindigd zonder dat hij in het bezit was van een stageverklaring zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening op de advocatuur. Op 19 maart 2019 heeft [appellant] een verzoek ingediend tot inschrijving als advocaat zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Advocatenwet. [appellant] heeft ook verzocht om afgifte van de stageverklaring. [appellant] wil zich graag vestigen als zelfstandig advocaat. De raad van de Amsterdamse Orde heeft het verzoek tot verstrekking van de stageverklaring afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 1 Gw
- Artikel 1 Advw
- Artikel 2 Advw
- Artikel 9b Advw
- Artikel 10a Advw
- Artikel 5 Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties
- Artikel 1.1 Verordening op de advocatuur
- Artikel 3.1 Verordening op de advocatuur
- Artikel 3.2 Verordening op de advocatuur
- Artikel 3.5 Verordening op de advocatuur
- Artikel 26 BUPO