ABRvS 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3493

Bij besluiten van 20 september 2019 heeft de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank van bestuur de remigratievoorzieningen die krachtens de Remigratiewet aan [appellant] zijn toegekend, ingetrokken en een bedrag van € 9.749,74 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 30 mei 2018 heeft de raad van bestuur aan [appellant] op grond van de Remigratiewet voorzieningen toegekend voor een gehuwde met kind van 12 tot 18 jaar. Op de vertrekkaart van 24 juni 2018 heeft [appellant] verklaard op 29 november 2018 te vertrekken naar het zogeheten bestemmingsland Griekenland. Op 19 juni 2019 ontving de raad van bestuur een bericht van 18 maart 2019 van het Bürgerbüro Bremerhaven dat [appellant] sinds 16 maart 2019 in Duitsland woont. De raad van bestuur heeft vervolgens [appellant] gevraagd naar zijn feitelijke woonplaats. Op 6 september 2019 heeft [appellant] verklaard sinds november 2018 een maand in Griekenland te hebben verbleven. Hiernaast heeft hij verklaard dat hij sinds ongeveer eind december 2018 in Duitsland woont. De reden voor de besluitvorming waarover het in deze zaak gaat, is dat [appellant] zijn hoofdverblijf niet in Griekenland heeft gevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken