ABRvS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3393
Bij besluit van 4 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 20.000,00 gelast om binnen zes maanden de permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie 1] in het [chaletpark] te Oisterwijk te beëindigen en beëindigd te houden. Ter zitting heeft [appellant] meegedeeld dat hij de recreatiewoning heeft verkocht en het gebruik ervan heeft gestaakt. Bij besluit van 28 april 2022 heeft het college de bij besluit van 4 december 2019 opgelegde last onder dwangsom ingetrokken. Aan dit besluit heeft het ten grondslag gelegd dat [appellant] heeft voldaan aan de last. De recreatiewoning van [appellant] ligt binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Verblijfsrecreatieterreinen". Op het perceel rust de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie". Gelet op de artikelen 4.1, aanhef en onder a, en 4.4.1, onder a, van de planregels mag de recreatiewoning uitsluitend worden gebruikt voor verblijfsrecreatie en mag die niet permanent worden bewoond. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] de recreatiewoning permanent bewoont omdat hij de recreatiewoning gebruikt als hoofdwoonverblijf als bedoeld in artikel 1.49 van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 1.38 van de planregels. [appellant] heeft dit standpunt van het college betwist.
De uitspraak op rechtspraak.nl