Rb. Overijssel 24 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2575
Deze uitspraak gaat over een door het college opgelegde last onder dwangsom wegens overschrijding van de emissiegrenswaarde voor formaldehyde uit artikel 2.5, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Abm). Het beroep is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de methode die is gebruikt voor het meten van de emissie van formaldehyde in dit geval geschikt is. De meetmethode is van toepassing op afgassen met concentraties aan formaldehyde tussen 2 en 60 mg/m³. De gemeten concentraties aan formaldehyde liggen tussen 1,1 mg/m³ en 1,3 mg/m³. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom deze methode ondanks het feit dat deze niet is onderzocht voor concentraties onder 2 mg/m³ ook voldoende betrouwbaar is voor het meten van dergelijke kleine concentraties. Hieruit volgt dat het college zijn standpunt dat eiseres de emissiegrenswaarde van formaldehyde heeft overschreden en dat zij daarmee de norm van artikel 2.5 van het Abm heeft overtreden niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank treft de voorlopige voorziening dat het dwangsombesluit wordt geschorst tot zes weken nadat het college een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen of tot het dwangsombesluit is herroepen. De reden hiervoor is dat niet vaststaat dat eiseres de emissiegrenswaarde voor formaldehyde heeft overschreden en dat er bovendien geen aanwijzingen zijn dat de emissie van formaldehyde door het bedrijf van eiseres leidt tot direct gevaar voor de gezondheid van de omwonenden of tot ernstige schade aan het milieu.
De uitspraak op rechtspraak.nl