ABRvS 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3217
Bij besluit van 22 november 2018 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete opgelegd van € 1.250,00 en bepaald dat [appellant] de aan hem verstrekte lening moet terugbetalen. Bij brief van 27 november 2015 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is. Zijn inburgeringstermijn is op 13 april 2015 gestart en hij had tot en met 27 september 2018 de tijd om te voldoen aan zijn inburgeringsplicht. Aangezien [appellant] niet voor die datum aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, heeft de minister hem bij besluit van 22 november 2018 een boete opgelegd van € 1.250,00 en bepaald dat hij de lening voor het volgen van een inburgeringscursus moet terugbetalen. In april 2021 heeft [appellant] alsnog voldaan aan de inburgeringsplicht. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet tijdig kon inburgeren vanwege psychische klachten. De minister heeft hierop bij brieven van 13 januari 2019, 21 februari 2019 en 5 maart 2019 de machtiging verklaring gezondheidsgegevens bij [appellant] opgevraagd.
De uitspraak op rechtspraak.nl