ABRvS 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2749
Bij besluit van 6 januari 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een verzoek van [appellant] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen. Bij brief van 25 april 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is, dat zijn inburgeringstermijn is gestart op 21 januari 2016 en dat hij vóór 14 april 2019 aan de inburgeringsplicht moet hebben voldaan. [appellant] heeft verzocht om verlenging van de inburgeringstermijn, omdat het volgens hem door ziekte - depressie, hoofdpijn, slaapproblemen, geheugenproblemen en gebrek aan concentratie - niet mogelijk is om vóór 14 april 2019 aan zijn inburgeringsplicht te voldoen. In het medisch advies van 2 december 2019 heeft arts X. van Argonaut negatief geadviseerd over het verzoek. Bij het besluit van 6 januari 2020 heeft de minister het verzoek afgewezen en bij het besluit van 14 januari 2020 heeft hij [appellant] een boete opgelegd van € 500,00.
De uitspraak op rechtspraak.nl