ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:97

Bij besluit van 9 april 2018 heeft de korpschef van de politie het verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van [appellante] ingetrokken. Eerder heeft de korpschef aan [appellante] een wapenverlof verleend. De korpschef heeft het wapenverlof voor het laatst verlengd op 22 mei 2017 met een geldigheidsduur tot en met 31 mei 2018. Bij besluit van 9 april 2018 heeft de korpschef op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Wet wapens en munitie (hierna: de Wwm) en paragraaf 1.2 van Deel B van de Circulaire wapens en munitie 2016 (nu: Circulaire wapens en munitie 2018; hierna: de Cwm) het wapenverlof van [appellante] ingetrokken. De korpschef stelt in de eerste plaats dat [appellante] onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot verlenging van het wapenverlof. Zij heeft op het aanvraagformulier C5 van 21 mei 2017 niet vermeld dat zij antidepressiva gebruikte.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken