ABRvS 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2565

Bij besluit van 8 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een vergunning voor alternatief personenvervoer afgewezen. [appellant] werkt sinds 1 april 2005 als fietstaxichauffeur in Amsterdam. Het college heeft voor de periode van 1 april 2016 tot 1 april 2019 op grond van artikel 2.51 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 voor het laatst aan hem een vergunning verleend voor het aanbieden van alternatief personenvervoer op en aan de openbare weg. Deze vergunning verviel van rechtswege na afloop van de geldigheidsduur. Het college heeft in zijn vergadering van 27 maart 2018 besloten om in te stemmen met de voorgenomen beleidswijziging om geen vergunningen meer uit te geven voor het aanbieden van alternatief personenvervoer op of aan de openbare weg met fietstaxi’s, tuktuks en paardenkoetsen. Daarmee beoogt het college de drukte en overlast in de Amsterdamse binnenstad te verminderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken