ABRvS 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1910

Bij besluit van 8 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellant] om hem een vergunning te verlenen voor het aanbieden van alternatief personenvervoer, afgewezen. Bij besluit van 18 maart 2016 heeft het college aan [appellant] een vergunning verleend voor het aanbieden van alternatief personenvervoer met één fietstaxi. Deze vergunning was geldig tot 1 april 2019 en was gebaseerd op artikel 2.51 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008. Het eerste lid van dit artikel luidde op 18 maart 2016: "Het is verboden zonder vergunning van het college als ondernemer op of aan de weg met een voertuig tegen betaling personenvervoer aan te bieden." Bij besluit van 4 maart 2019 heeft het college de vergunning verlengd tot 1 april 2020. Per 1 april 2020 is artikel 2.51 van de APV gewijzigd. Vanaf die datum luidt het eerste lid van dat artikel: "Het is verboden op of aan de weg met een voertuig tegen betaling personenvervoer aan te bieden."

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken