ABRvS 22 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1625
Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. In deze zaak wil de vreemdeling verblijf in Nederland, omdat zij bij haar kleinzoon wil wonen. Deze kleinzoon woont nu met zijn ouders en twee broers in Nederland, maar heeft in het verleden samen met de vreemdeling in Syrië gewoond, terwijl ouders en broers in een ander land buiten de Europese Unie verbleven. De kleinzoon heeft een zeldzame medische aandoening waardoor hij ook fysieke en communicatieve beperkingen heeft. In deze uitspraak gaat het om de motivering van de afweging tussen aan de ene kant de belangen van de vreemdeling en haar kleinzoon om samen in Nederland te verblijven, en aan de andere kant het belang van de staatssecretaris om een restrictief vreemdelingenbeleid te voeren met het oog op - onder meer - de economische belangen van Nederland.
De uitspraak op rechtspraak.nl