ABRvS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2445

Bij besluit van 19 april 2018 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald dat [wederpartij] op 1 oktober 2018 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 10.008,71 en zij moet maandelijks € 83,41 betalen. Op 28 februari 2018 heeft [wederpartij] het laatste onderdeel van het inburgeringexamen gehaald. Bij besluit van 19 april 2018 heeft de minister [wederpartij] meegedeeld dat zij € 10.008,71 heeft geleend voor een cursus en/of examen, dat zij deze lening vanaf 1 oktober 2018 gaat terugbetalen en dat over de periode 1 oktober 2018 tot 1 november 2023 maandelijks een bedrag van € 83,41 zal worden geïncasseerd. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard, omdat voor het eerst met het besluit van 19 april 2018 een geldschuld is ontstaan als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken