CRvB 24 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1981
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bericht van 18 september 2015, voor wat betreft de aan appellante toegekende rentedragende lening en de daardoor ontstane schuld, niet is gericht op enig rechtsgevolg en in zoverre niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het verzoek van appellante van 5 januari 2016 strekt ertoe dat de minister terugkomt van een 6-tal, in rechte onaantastbaar geworden, besluiten tussen 2008 en 2010. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Bestreden besluit 2 is niet evident onredelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl