ABRvS 30 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2324
Bij besluit van 13 april 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over de periode van 1 januari 2017 tot en met 8 oktober 2017 herzien en vastgesteld op een bedrag van € 4.739,00. De Afdeling heeft in de tussen partijen gewezen uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1204, geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2017 bij besluit van 22 mei 2017, gehandhaafd bij het besluit van 8 juli 2017, heeft vastgesteld op een bedrag van € 6.832,00. De uren die [appellante] heeft besteed aan een postmaster opleiding zijn volgens de Afdeling terecht niet meegerekend. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2017 hierna verder verlaagd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 52e ZW
- Artikel 63a ZW
- Artikel 65g WAO
- Artikel 34 IOAW
- Artikel 34 IOAZ
- Artikel 3:4 Awb
- Artikel 67e WAZ
- Artikel 2:24 Wajong
- Artikel 3:69 Wajong
- Artikel 3.78 Wet IB 2001
- Artikel 2.8 WSF 2000
- Artikel 2.11 WSF 2000
- Artikel 30a SUWI
- Artikel 7 Participatiewet
- Artikel 18 Participatiewet
- Artikel 1.6 Wko
- Artikel 26 Awir
- Artikel 37 WIA
- Artikel 42 WIA
- Artikel 82 WIA