ABRvS 23 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2279
Bij besluit van 2 december 2019 heeft de burgemeester van Den Haag [appellant] gelast de woning gelegen aan de [locatie] in Den Haag onmiddellijk te verlaten en voor een periode van tien dagen niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Tevens heeft de burgemeester [appellant] gelast om gedurende deze periode geen contact op te nemen met de in de woning wonende personen, te weten zijn [ex-vrouw] en de drie minderjarige kinderen van [appellant] en die vrouw. [appellant] en [ex-vrouw] waren echtgenoten en hebben drie minderjarige kinderen. Nadat zij hebben besloten te scheiden, zijn problemen ontstaan in de omgang met elkaar en het maken van afspraken met betrekking tot de kinderen. [ex-vrouw] heeft de echtelijke woning verlaten en is ingetrokken bij haar broer aan de [locatie] in Den Haag. De burgemeester heeft aan [appellant] op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod een tijdelijk huisverbod opgelegd van 2 tot en met 12 december 2019.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898
- HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793
- ABRvS 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1953
- ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:836
- ABRvS 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:749
- ABRvS 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:599
- ABRvS 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952
- HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608