ABRvS 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1870
Bij besluit van 31 juli 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen, omdat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland bedenkingen bestaan als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De staatssecretaris heeft hiervoor redengevend geacht dat hij bij besluit van 15 januari 2018 heeft vastgesteld dat het met ingang van 14 februari 2013 aan [appellant] verleende verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan nimmer heeft bestaan. Verder heeft de staatssecretaris [appellant] erop gewezen dat hij ook niet voldoet aan het vereiste van toelating in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, omdat hij niet sedert vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek onafgebroken hoofdverblijf in het Koninkrijk heeft gehad.
De uitspraak op rechtspraak.nl